Ik mocht de voorbije weken een paar contemplatieve momenten hebben. Eentje is mij in het bijzonder bijgebleven.

We spreken 26 juni, 10.45 u., dicht bij het metrostation Madou, aan de kleine ring in Brussel. Ik ben iets te vroeg voor mijn afspraak. Ik sla dus gade. De continue stroom wagens valt mij als eerste op. Voorbijgevlamd komen ze, de wagens, de bestelwagens, de camions, de Corps Diplomatiques, de occasionele ziekenwagens of politiecombi. Gehaast, gehaast, altijd maar gehaast. Als evenzeer konijnen uit Alice in Wonderland. Soms stokt de stroom auto’s even, gehinderd door een rood licht. Evenvaak zie ik woeste blikken, opgeheven armen, vermoed ik ingehouden vloeken van de ene chauffeur tegen de andere (”lutser”, hoor ik dan”, “wie stopt er nu voor het oranje licht?!”). Het gaspedaal wordt niet losgelaten. Het licht wordt groen en, hop, een pakje CO2 gaat driftig zijn collega’s vervoegen. De stroom auto’s raast weer verder. Onophoudelijk. Als ware het een kolonie mieren.

En dat aan de vooravond van de grote vakantie. Wanneer het geacht wordt een rustige(re) periode te zijn. Wanneer het perspectief van een wat snipperdagen of zelfs een reis mensen tot een gezapiger ritme zou moeten aanzetten.

Me dunkt dat we ons als gemeenschap collectief voorbijhollen. Sneller, sneller, steeds sneller. De dagen vliegen voorbij, weken zijn van geen tel, wat krijg je nog gedaan op een maand, jaren worden nauwelijks bijgehouden. En dan het cliché dat over ieders tongen rolt “wat gaat de tijd toch snel!”. Ook wel bekend als “Waar is de tijd gebleven?” of nog erger “had ik maar wat meer tijd genomen om…”.

Het is een jachtige wereld geworden, voorwaar. Daar af en toe bij blijven stilstaan kan geen kwaad.